
Foto: unknown author, USFWS, Public domain · bron
Struik · Wegedoornfamilie (Rhamnaceae)
Ceanothus
· ook: Amerikaanse sering, Californische sering
Ceanothus komt uit Californië en is een van de weinige struiken met echt blauwe bloemen. De dichte pluimen kleine bloempjes trekken bijen van ver. Er zijn groenblijvende soorten, die in mei–juni bloeien, en bladverliezende, die van juli tot oktober bloeien. Ze worden 1–3 m hoog en willen een zonnige, beschutte plek op droge, goed doorlatende grond, het liefst tegen een warme muur. Vooral de groenblijvende soorten zijn niet volledig winterhard.
Let op: De groenblijvende soorten zijn niet volledig winterhard en worden zelden heel oud. Reken op schade of verlies na een strenge winter, en neem in de zomer een paar stekken als reserve.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog
verdraagt droogte
Grond
Elke tuingrond
elke zuurtegraad
Winterhard
In heel België
geen bescherming nodig
Grootte
1–3 m
hoog
Bloei
mei–juli
| Snoeimaanden | maart–april en juni–juli |
|---|---|
| Hoogte | 1–3 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
| Bloei | mei–juli |
Herkennen
Hoe herken je een ceanothus?
- Groeivorm
- Struik van 1–3 m, rechtop of breed uitgroeiend; sommige vormen blijven laag en kruipend.
- Blad
- Verspreid, 1–7 cm, eirond tot elliptisch, fijn getand en glanzend; vaak met drie duidelijke nerven vanaf de voet of met diep ingedrukte nerven.
- Schors
- Groene tot roodbruine twijgen.
- Bloem
- Dichte pluimen of trosjes kleine blauwe, soms witte of roze bloempjes; de groenblijvende soorten bloeien in mei–juni, de bladverliezende van juli tot oktober.
- Vrucht
- Kleine, driekantige doosvruchtjes.
- Verschil met de sering
- De sering heeft grote, hartvormige bladeren en grote lila pluimen op een hoge struik.
- Verschil met de vlinderstruik
- De vlinderstruik heeft lang, smal, grijsviltig blad en lange paarse pluimen.
Bloei: mei–juli · Snoeien: maart–april en juni–juli
Herkennen per kenmerk: Paarse of blauwe bloemen
Lijkt op, maar is het niet
- Sering Syringa vulgaris: grote, hartvormige bladeren en grote lila pluimen op een hoge struik. Verschil met sering
- Vlinderstruik Buddleja davidii: lang, smal, grijsviltig blad en lange paarse pluimen. Verschil met vlinderstruik
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Echt blauwe bloemen, een zeldzame kleur bij struiken.
- Een bijenmagneet in mei–juni of, bij de bladverliezende soorten, in de nazomer.
- Bindt stikstof uit de lucht: groeit op arme, droge grond zonder mest.
- Ideaal tegen een warme muur of op een zonnige, droge plek.
Waar staat een ceanothus graag?
- Volle zon, beschut tegen koude wind; tegen een muur op het zuiden of westen bloeit hij het rijkst en komt hij het best door de winter.
- Droge, goed doorlatende grond; arme grond is geen probleem, natte voeten in de winter wel.
- Reken op 2 m breed; tegen een muur kan je hem platter leiden.
- Licht
- Volle zon
- Grond
- Elke tuingrond
- Vocht
- Droog
- Grootte
- 2 m hoog, 2 m breed
- Winterhard
- In heel België, geen bescherming nodig
Mooi samen met
- Brem: Gele bloemen in mei naast het blauw: twee stikstofbinders voor dezelfde arme, droge grond.
- Echte lavendel: Nog een zonaanbidder voor droge grond, die na de groenblijvende ceanothus verder bloeit voor de bijen.
- Rozemarijn: Groenblijvend en geurig, voor dezelfde warme, droge plek tegen een muur.
Past goed bij, en liever niet bij
Liever niet bij
- Niet onder de dichte kroon van deze bomen planten: fijnspar, gewone zilverspar, kaukasische zilverspar, douglasspar, taxus, witte paardenkastanje, noorse esdoorn, gewone esdoorn
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een ceanothus?
- Plant uit pot in het voorjaar (april–mei), zodat hij goed geworteld is vóór de winter.
- Kies een jonge plant: oudere struiken verdragen verplanten slecht.
- Zet hem even diep als in de pot en meng op zware grond grof zand of grind door de plantplaats.
- Tegen een muur: zet hem 30–40 cm van de muur en bind de takken vast aan draden.
Verzorgen
- Water
- Het eerste jaar bij droogte; daarna nauwelijks: hij houdt van droog.
- Bemesten
- Niet nodig: hij bindt zelf stikstof. Mest geeft slap, vorstgevoelig hout.
- Aanbinden
- Bind de takken van een muurplant geregeld vast aan draden.
- Opvolger
- Groenblijvende soorten worden zelden heel oud: stek op tijd een opvolger.
Tip: Woon je landinwaarts of op een koude plek, kies dan een bladverliezende soort zoals ‘Gloire de Versailles’: die bloeit op nieuw hout, dus ook na een strenge winter. Een groenblijvende ceanothus plant je het best tegen een muur op het zuiden.
Wanneer snoei je een ceanothus?
Snoeimaanden: maart–april en juni–juli.
Wanneer: Groenblijvende soorten meteen na de bloei (juni–juli); bladverliezende soorten in maart–april.
Hoe:
- Groenblijvende soorten: knip alleen de groei van het jaar in, nooit tot in het oude hout, want daar lopen ze niet meer uit.
- Bladverliezende soorten bloeien op nieuw hout: kort de twijgen van vorig jaar in maart–april in tot op 2–3 knoppen.
- Bevroren takken knip je in het voorjaar terug tot op gezond hout, zodra je ziet wat weer uitloopt.
Let op: Zaag een groenblijvende ceanothus nooit stevig terug: kaal oud hout loopt niet meer uit. Juni–juli valt in het broedseizoen: kijk eerst naar nesten.
Vermeerderen
- Stekken
- Neem in de zomer halfrijpe stekken van 8–10 cm en laat ze wortelen in zanderige grond onder glas of folie. Zo heb je een opvolger klaar.
Hoe komt een ceanothus de winter door?
Winterhard in heel België: geen bescherming nodig.
- Groenblijvende soorten verdragen op een beschutte plek een gewone winter, maar strenge of lange vorst, rond −10 °C en lager, kan ze zwaar beschadigen of doden, zeker met koude wind of op natte grond.
- Bladverliezende soorten zijn sterker. Vriezen ze terug, dan lopen ze in het voorjaar meestal weer uit en bloeien ze gewoon op het nieuwe hout.
- Bescherm jonge planten bij strenge vorst met een winterdoek; tegen een warme muur staan ze het veiligst.
Ziektes en plagen
- Vorstschade: Bruine bladeren en dode takken na een strenge winter. Wacht tot het voorjaar en knip dan de dode delen weg.
- Plots afsterven: Op natte, zware grond rotten de wortels, en oudere groenblijvende struiken sterven soms vrij plots af. Plant op goed doorlatende grond en houd een stek als reserve.
- Kale onderkant: Een oude groenblijvende struik wordt onderaan kaal en loopt na zware snoei niet meer uit. Vervang hem dan door een jonge plant.
- Schildluis: Bruine, bolle schildjes op de twijgen en kleverig blad. Wrijf ze weg of knip zwaar aangetaste twijgen weg.
Het jaar rond
- Maart: Bladverliezende soorten snoeien tot op 2–3 knoppen.
- April: Laatste snoeimaand voor de bladverliezende soorten; vorstschade wegknippen; planten.
- Mei: Bloei van de groenblijvende soorten: blauw vol bijen.
- Juni: Groenblijvende soorten na de bloei licht snoeien; kijk eerst naar nesten.
- Juli: Laatste snoeimaand voor de groenblijvende soorten; de bladverliezende beginnen te bloeien.
- Augustus: Stekken nemen; bloei van de bladverliezende soorten.
- December: Jonge planten beschermen bij strenge vorst.
Gebruiken
Wat kan je ermee?
- Tuin en landschap
- Een van de weinige struiken met echt blauwe bloemen; voor een zonnige, beschutte plek of tegen een warme muur.
- Voor de natuur
- Een bijenmagneet; bindt stikstof uit de lucht.
Let op: De groenblijvende soorten zijn niet volledig winterhard en worden zelden heel oud.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Net als els en duindoorn bindt ceanothus stikstof uit de lucht, met behulp van bacteriën in knolletjes op de wortels.
- In het Engels heet hij Californian lilac, maar met de sering is hij geen familie: hij hoort bij de wegedoornfamilie.
- In Californië groeit hij in de chaparral, een droge struikvegetatie die geregeld afbrandt: zijn zaden kiemen juist goed na de hitte van een brand.