Struiken, hagen en klimplanten · vraag 4
Welke beschrijving past het best?
- Klein, tegenoverstaand blad (tot 6 cm): Dichte, fijn vertakte haagplant.
- Groot, leerachtig blad (8–20 cm); grote bloemtrossen in mei: Blad vaak in kransen aan de twijgtoppen; zure grond.
- Groot, glanzend blad (10–20 cm); witte bloemtrossen: Kliertjes aan de bladvoet; zwarte kersjes.
- Onderkant zilverig geschubd; geurende bloempjes in de herfst: Leerachtig blad, 5–10 cm.
- Aromatisch blad in rozetten; rode knoppen in de winter: Lage struik voor de schaduw.
- Klein, verspreid blad (tot 3 cm); rode besjes: Vaak kruipend of met boogvormige takken.
- Smal-ovaal, golvend blad met een sterke kruidige geur: Het laurierblad uit de keuken.
- Tegenoverstaand, donker blad (4–10 cm); roze-witte schermen in de winter: Metaalblauwe besjes in de zomer.
Nog mogelijk
- Buxus (Buxus sempervirens)
- Haagliguster (Ligustrum ovalifolium)
- Haagkamperfoelie (Lonicera nitida)
- Rododendron (Rhododendron)
- Laurierkers (Prunus laurocerasus)
- Olijfwilg (Elaeagnus)
- Skimmia (Skimmia japonica)
- Cotoneaster (Cotoneaster)
- Laurier (Laurus nobilis)
- Altijdgroene sneeuwbal (Viburnum tinus)