
Foto: (Hans Hillewaert), CC BY-SA 3.0 · bron
Loofboom · Rozenfamilie (Rosaceae)
Wilde appel
Malus sylvestris · ook: Bosappel
De wilde appel is onze inheemse appelboom: een kleine, vaak doornige boom met kaal blad, witte tot lichtroze bloesem in april–mei en zure appeltjes van 2–3 cm. In het wild is hij zeldzaam geworden; je vindt hem verspreid in bosranden, hagen en houtkanten. Hij wordt 5–10 m hoog met een kroon van zo’n 6 m en groeit in zon of halfschaduw op gewone tuingrond. Rauw zijn de appeltjes te zuur, maar ze geven heerlijke gelei en zijn wintervoer voor vogels. Hij past in een natuurlijke tuin, een houtkant of een gemengde haag.
Let op: Waardplant van bacterievuur, net als de gekweekte appel. Hij is gevoelig voor juglon: plant hem niet bij een okkernoot.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Grond
Elke tuingrond
elke zuurtegraad
Winterhard
In heel België
geen bescherming nodig
Grootte
5–10 m
hoog
Bloei
mei
| Snoeimaanden | november–maart |
|---|---|
| Hoogte | 5–10 m |
| Inheems in België | Ja |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
| Bloei | mei |
Herkennen
Hoe herken je een wilde appel?
- Groeivorm
- Kleine boom van 5–10 m met een brede, ronde kroon van zo’n 6 m; vaak met doornige kortloten.
- Blad
- Verspreid, 4–8 cm, eirond tot rond met een korte spitse top, gekarteld tot gezaagd; volwassen blad aan beide kanten kaal.
- Schors
- Grijsbruin, in schubben afschilferend; kortloten lopen vaak uit in een doornige punt.
- Bloem
- Witte tot lichtroze bloemen in schermen, in april–mei.
- Vrucht
- Geelgroene appeltjes van 2–3 cm, soms rood aangelopen; zuur en wrang.
- Verschil met de appel
- De gekweekte appel heeft grotere, zoete appels, blad dat onderaan viltig blijft en twijgen zonder doornen.
- Verschil met de wilde peer
- De wilde peer heeft glanzend blad aan een lange steel, en harde peertjes met steencellen.
Bloei: mei · Oogst en vruchten: september–november · Snoeien: november–maart
Herkennen per kenmerk: Witte bloesem · Roze bloesem · Dorens of stekels
Lijkt op, maar is het niet
- Appel Malus: grotere, zoete appels, blad onderaan blijvend viltig en twijgen zonder doornen. Verschil met appel
- Wilde peer Pyrus pyraster: glanzend blad aan een lange steel, en harde peertjes met steencellen. Verschil met wilde peer
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Bloesem in april–mei voor bijen en hommels.
- De appeltjes zijn wintervoer voor lijsters, merels en zoogdieren.
- Ideaal voor gelei of om appelmoes op smaak te brengen.
- Een zeldzame inheemse boom voor houtkanten en natuurlijke tuinen.
- Kan appelrassen in de buurt helpen bestuiven.
Waar staat een wilde appel graag?
- Zon tot halfschaduw; in de zon bloeit en draagt hij het rijkst.
- Gewone tuingrond, zand, leem of klei, niet te droog en niet te nat.
- Reken op 5–10 m hoog en een kroon van zo’n 6 m: past in een gewone tot ruime tuin, een houtkant of een gemengde haag.
- Plant hem niet onder of vlak bij een okkernoot: hij is gevoelig voor juglon, de stof die de walnoot afgeeft.
- Licht
- Zon of halfschaduw
- Grond
- Elke tuingrond
- Vocht
- Normaal
- Grootte
- 8 m hoog, 6 m breed
- Winterhard
- In heel België, geen bescherming nodig
Mooi samen met
- Appel: Een wilde appel in de buurt kan je appelrassen helpen bestuiven.
- Sleedoorn: Bloeit eerder, in maart–april: samen geven ze in een houtkant lang bloesem voor bijen.
- Hondsroos: Bloeit na de appel en geeft rode rozenbottels: samen een kleurrijke, inheemse houtkant.
- Hazelaar: Een inheemse struik die een houtkant dichtmaakt en noten geeft.
Past goed bij, en liever niet bij
Liever niet bij
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een wilde appel?
- Plant van november tot maart, als de grond niet bevroren is.
- Vraag naar plantgoed van inheemse herkomst: veel ‘wilde appels’ in hagen en in de handel zijn kruisingen met de gekweekte appel.
- Zet een boompaal aan de windkant en bind de stam losjes vast.
- Meng wat compost door de plantgrond en geef water na het planten en de eerste zomers bij droogte.
Verzorgen
- Water
- De eerste jaren bij droogte.
- Bemesten
- Niet nodig; wat compost op de boomspiegel volstaat.
- Oogsten
- Pluk de appeltjes in september–oktober voor gelei, of laat ze hangen voor de vogels.
- Doornen
- Draag handschoenen bij het snoeien en plukken.
Tip: Kook van wilde appeltjes een gelei: door hun zuur en de vele pectine wordt hij vanzelf stevig. Meng ze ook door appelmoes van zoete appels voor een frissere smaak.
Wanneer snoei je een wilde appel?
Snoeimaanden: november–maart.
Wanneer: Dode, zieke en gebroken takken kan je het hele jaar verwijderen. Moet er toch gesnoeid worden, doe het dan in de winterrust (november–maart).
Hoe:
- Weinig snoei nodig. Een jonge boom kan je in de winter vormen tot een open kroon.
- Haal later alleen dode, kruisende en naar binnen groeiende takken weg; in een haag of houtkant mag hij vrij uitgroeien.
Let op: Zie je bacterievuur, knip dan bij droog weer ruim in het gezonde hout en ontsmet je snoeischaar na elke snede.
Vermeerderen
- Zaaien
- Haal de pitten in de herfst uit rijpe appeltjes en zaai ze buiten in een zaaibak: ze hebben de winterkou nodig om te kiemen. Staan er gekweekte appels in de buurt, dan kan de zaailing een kruising zijn.
- Enten
- Een ent op een onderstam geeft een boom die gelijk is aan de moederboom.
Hoe komt een wilde appel de winter door?
Winterhard in heel België: geen bescherming nodig.
- Volledig winterhard; enkel de bloesem is gevoelig voor late nachtvorst.
- Appeltjes die blijven hangen of vallen, zijn in de winter voer voor lijsters, merels en kramsvogels.
Ziektes en plagen
- Bacterievuur: Bloemen en twijgen verwelken en worden bruinzwart als verbrand, met een kromme top als een herdersstaf. Knip aangetaste takken ruim weg tot in het gezonde hout.
- Schurft: Donkere, ruwe vlekken op blad en appeltjes. Voor een wilde appel zelden een probleem; ruim zwaar aangetast blad op.
- Meeldauw: Witte, poederige laag op jonge scheuten. Knip aangetaste scheuttoppen weg.
- Bladluis: Gekrulde scheuttoppen in het voorjaar. Laat lieveheersbeestjes en zweefvliegen hun werk doen.
Het jaar rond
- Januari: Snoeien als het nodig is.
- Februari: Snoeien; plantseizoen als het niet vriest.
- Maart: Laatste maand om te snoeien en te planten.
- April: Bloei: bijen en hommels; let op nachtvorst.
- Mei: Laatste bloesem; let op bacterievuur bij warm, vochtig weer.
- September: Appeltjes rijp: plukken voor gelei.
- Oktober: Laatste appeltjes plukken of laten hangen voor de vogels; pitten zaaien.
- November: Plantseizoen; snoeien kan weer.
- December: Snoeien als het nodig is.
Gebruiken
Wat kan je ermee?
- Voor de natuur
- Bloesem voor bijen; de appeltjes zijn wintervoer voor lijsters, merels en zoogdieren.
- Eten en drinken
- Te zuur om rauw te eten, maar ideaal voor gelei of om appelmoes op smaak te brengen.
- Tuin en landschap
- Inheemse boom voor houtkanten en natuurlijke tuinen.
Let op: Waardplant van bacterievuur, net als de gekweekte appel.
Eetbaar en bruikbaar
- Vruchten (september–november)
- Pluk de appeltjes van half september tot eind oktober, als ze geel tot geelgroen zijn, soms met een rode blos, en makkelijk loskomen van de tak. Ze zijn klein, hard en erg zuur: rauw smaken ze wrang, maar gekookt geven ze veel smaak en pectine voor gelei. Pluk ze bij voorkeur van de boom of raap verse valappels op, en laat beschadigde, rotte of beschimmelde exemplaren liggen. Laat altijd een deel hangen als wintervoer voor lijsters, merels en zoogdieren.
- Bewaring
- Hele, onbeschadigde appeltjes houden een paar weken tot enkele maanden op een koele, donkere plek, zoals een kelder, in één laag in een kistje. Snijd je ze in stukken, dan kan je ze invriezen of drogen. Gelei, appelmoes en azijn houden enkele maanden tot een jaar, afhankelijk van het recept.
- Fermenteren
- Wilde appels zijn al eeuwen een grondstof voor cider en appelazijn: de natuurlijke gisten op de schil zetten de suikers om in alcohol en daarna in azijn. Zie het recept voor appelazijn.
Let op: Eet appelpitten en klokhuizen niet in grote hoeveelheden: appelpitten bevatten amygdaline, een stof die blauwzuur kan vrijmaken. In gelei en appelmoes worden ze weggezeefd. Gooi appeltjes met rotte plekken, schimmel of maden weg en snij bij beschimmelde vruchten niet alleen de schimmel weg. Wie allergisch is voor appel (of voor berkenpollen) kan reageren op de rauwe vruchten. De wilde appel is zeldzaam: pluk niet in natuurreservaten en neem hooguit een deel van de vruchten mee. Pluk niet van sierappels in parken en plantsoenen, die vaak behandeld zijn, en niet langs drukke wegen of in bespoten boomgaarden. Eet nooit iets wat je niet met zekerheid herkend hebt.
Eten en gebruiken doe je op eigen risico: zie de gebruiksvoorwaarden.
Recepten
- Wilde appelgelei (Gelei · ± 3 potjes van 250 ml · 1 uur + 1 nacht uitlekken)
- Appelmoes met wilde appeltjes (Compote · ± 3 potjes van 250 ml · 45 min)
- Wilde appelazijn (Azijn · ± 1 liter · 30 min + 6–8 weken)
- Gedroogde appelringen (Gedroogd · ± 150 g · 30 min + 6–8 uur drogen)
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Onze gekweekte appel stamt niet van deze soort af, maar vooral van een wilde appel uit Kazachstan (Malus sieversii). De wilde appel kruiste er later wel mee in.
- Echte wilde appels zijn zeldzaam: veel bomen die er wild uitzien, blijken kruisingen met de gekweekte appel.