
Foto: (Hans Hillewaert), CC BY-SA 3.0 · bron
Fruitboom · Rozenfamilie (Rosaceae)
Appel
Malus · ook: Sierappel, Wilde appel, Appelaar
De appel is de bekendste fruitboom van onze tuinen, van een kleine leiboom tegen een muur tot een hoogstam in een boomgaard. In april–mei bloeit hij met roze knoppen die openen tot witte bloesem, een feest voor bijen. Van augustus tot oktober oogst je, afhankelijk van het ras, zomer-, herfst- of bewaarappels. De onderstam bepaalt hoe groot de boom wordt. Bijna elk ras heeft een ander appelras of een sierappel in de buurt nodig voor de bestuiving.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Grond
Elke tuingrond
elke zuurtegraad
Winterhard
In heel België
geen bescherming nodig
Grootte
3–10 m
hoog
Bloei
april–mei
| Snoeimaanden | juli–augustus en december–maart |
|---|---|
| Hoogte | 3–10 m |
| Inheems in België | Nee, ingeburgerd |
| Goed voor bijen, vlinders en vogels | Ja, voor bijen, vlinders en vogels |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
| Bloei | april–mei |
Herkennen
Hoe herken je een appel?
- Groeivorm
- Fruitboom van 3–10 m, naargelang de onderstam: laagstam, halfstam of hoogstam, of als leiboom.
- Blad
- Verspreid, eivormig, 5–10 cm, gekarteld; onderzijde grijs viltig.
- Schors
- Grijsbruin, in platen afschilferend.
- Bloem
- Roze knoppen die openen tot witte bloemen in april–mei.
- Vrucht
- Appels, rijp van augustus tot oktober naargelang het ras.
Bloei: april–mei · Oogst en vruchten: augustus–oktober · Snoeien: juli–augustus en december–maart
Herkennen per kenmerk: Witte of zilveren onderkant · Witte bloesem · Roze bloesem
Lijkt op, maar is het niet
- Peer Pyrus communis: glanzend, kaal blad aan een lange steel en witte bloemen. Verschil met peer
- Pruim Prunus domestica: steenvruchten met een pit. Verschil met pruim
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Eigen appels van augustus tot ver in de winter, met een ras naar keuze.
- Bloesem in april–mei voor bijen en hommels.
- Er is een vorm voor elke tuin: leiboom, laagstam, halfstam of hoogstam.
- Oude hoogstammen zijn thuis voor steenuil, spechten en vleermuizen.
Waar staat een appel graag?
- Volle zon: dan bloeit hij rijk en kleuren de appels mooi.
- Vruchtbare, goed doorlatende grond; geen natte voeten of zware klei die lang nat blijft.
- Beschut tegen koude voorjaarswind, die de bloesem kan bevriezen.
- Ruimte: een laagstam 2–3 m, een halfstam 4–5 m, een hoogstam 8 m of meer.
- Licht
- Volle zon
- Grond
- Elke tuingrond
- Vocht
- Normaal
- Grootte
- 10 m hoog, 6 m breed
- Winterhard
- In heel België, geen bescherming nodig
Mooi samen met
- Sierappel: Een goede bestuiver voor bijna elk appelras, met bloesem en kleine appeltjes die lang blijven hangen.
- Oost-Indische kers: Onder de boom lokt ze bladluizen weg en bloeit ze de hele zomer.
- Bieslook: Een lage rand onder de kroon die bijen trekt en volgens tuiniers schurft remt.
- Goudsbloem: Bloeit lang en lokt zweefvliegen, die bladluizen eten.
Past goed bij, en liever niet bij
Past goed bij
- Een tweede appelras of een sierappel binnen 50 m, voor de bestuiving: appel
Liever niet bij
- De notelaar scheidt juglon af, waar deze plant gevoelig voor is: okkernoot
- Kan bacterievuur doorgeven (niet vlak naast fruitbomen): wilde lijsterbes, eenstijlige meidoorn, zweedse lijsterbes, meelbes, mispel, kweepeer, vuurdoorn, glansmispel
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een appel?
- Plant van november tot maart; een boom in pot kan het hele jaar, behalve bij vorst of droogte.
- Kies de onderstam bij je ruimte: M9 voor een kleine laagstam, MM106 voor een halfstam, een zaailingonderstam voor een hoogstam.
- Zet de entplaats (de knik onderaan de stam) een handbreed boven de grond.
- Zet een stevige paal aan de windkant en bind de stam losjes vast.
- Plant een tweede ras of een sierappel binnen 50 m, voor de bestuiving.
Verzorgen
- Water
- Het eerste jaar bij droogte, en later in droge zomers als de appels groeien.
- Bemesten
- In maart wat compost of gedroogde koemest onder de kroon.
- Dunnen
- Draagt de boom veel, haal dan in juni een deel van de jonge appeltjes weg: de rest wordt groter en de boom draagt volgend jaar weer.
- Oogsten
- Een appel is rijp als hij met een kleine draai loskomt en de pitten bruin zijn.
- Bewaren
- Bewaarappels op een koele, vochtige plek, niet tegen elkaar.
Tip: Kies een schurftresistent ras (zoals ‘Topaz’ of ‘Santana’): dan heb je zonder spuiten mooie appels.
Wanneer snoei je een appel?
Snoeimaanden: juli–augustus en december–maart.
Wanneer: Vormsnoei in de winter (december–maart, niet bij vorst); zomersnoei in juli–augustus om de groei te remmen.
Hoe:
- Houd de kroon open zodat er licht en lucht bij het fruit komt.
- Haal waterloten, kruisende en naar binnen groeiende takken weg.
- Jonge bomen: vormsnoei tot een stevige kroon met 3–4 gesteltakken.
- Spaar de korte vruchttakjes: daar komen de bloemen en appels.
Let op: Snoei niet bij vorst, en ontsmet je snoeischaar als je kanker of bacterievuur wegknipt.
Vermeerderen
- Enten
- Een ras vermeerder je door een twijg (ent) in de winter op een onderstam te zetten, of door in de zomer een knop te oculeren.
- Zaaien
- Een appelpit geeft een nieuwe, onvoorspelbare appel, niet hetzelfde ras: leuk om te proberen, niet om een ras te kweken.
Hoe komt een appel de winter door?
Winterhard in heel België: geen bescherming nodig.
- Winterhard; enkel de bloesem is gevoelig voor late nachtvorst in april.
- Haal in de winter verdroogde appels (mummies) uit de boom: daar overwintert de rotschimmel.
Ziektes en plagen
- Schurft: Donkere, ruwe vlekken op blad en appels. Ruim het afgevallen blad op en kies een schurftresistent ras.
- Meeldauw: Witte, poederige laag op jonge scheuten en blad. Knip aangetaste scheuttoppen weg.
- Vruchtboomkanker: Ingezonken, barstende wonden op twijgen en takken. Knip of zaag ze bij droog weer weg tot in het gezonde hout.
- Fruitmot: Een rupsje in de appel, met een gangetje naar het klokhuis. Hang feromoonvallen op in mei–juni en raap afgevallen appels op.
- Bloedluis: Witte, wollige plukjes op takken en wonden. Borstel ze weg; de sluipwesp Aphelinus mali is een natuurlijke vijand.
Het jaar rond
- Januari: Wintersnoei bij zacht weer; mummies uit de boom halen.
- Februari: Wintersnoei en enten.
- Maart: Bemesten met compost; laatste snoei voor de knoppen opengaan.
- April: Bloei: let op nachtvorst.
- Mei: Feromoonvallen tegen fruitmot ophangen.
- Juni: Jonge appeltjes dunnen.
- Juli: Zomersnoei van waterloten.
- Augustus: Zomersnoei; eerste zomerappels oogsten.
- September: Herfstappels oogsten.
- Oktober: Bewaarappels oogsten en wegleggen.
- November: Afgevallen blad opruimen tegen schurft; planten.
- December: Wintersnoei kan beginnen.
Gebruiken
Wat kan je ermee?
- Eten en drinken
- Appels vers, als moes, sap of in de oven; hoogstamboomgaarden met oude rassen.
- Voor de natuur
- Bloesem voor bijen; oude hoogstammen herbergen steenuil en spechten.
Let op: Waardplant van bacterievuur. Heeft een ander appelras of sierappel in de buurt nodig voor bestuiving.
Eetbaar en bruikbaar
- Vruchten (augustus–oktober)
- Een appel is plukrijp als hij met een lichte draai omhoog loskomt en de pitten bruin zijn. Zomerappels eet je meteen; herfst- en winterrassen pluk je in september–oktober en laat je nog wat narijpen in de kelder. Vers, als moes, sap, appelstroop of gedroogde ringen, in taart of uit de oven. Sierappeltjes zijn ook eetbaar, maar zuur: ideaal voor gelei.
- Bewaring
- Bewaar alleen gave, ongekneusde appels, op een koele (2 à 6 °C), vochtige en vorstvrije plek, in één laag en zonder dat ze elkaar raken. Kijk ze regelmatig na: één rotte appel bederft de rest. Leg ze apart van groenten, want het rijpingsgas van appels laat die sneller bederven.
- Fermenteren
- Appelsap vergist van nature tot cider, en cider verder tot appelazijn. Van schillen en klokhuizen maak je eenvoudig zelf azijn (zie recept).
Let op: Kraak of maal de pitten niet: ze bevatten stoffen die blauwzuur kunnen vrijmaken (een paar ingeslikte pitjes zijn geen probleem). Rauwe appels kunnen jeuk in de mond geven bij mensen met een berkenpollenallergie; gekookt of gebakken lukt dan vaak wel. Gebruik voor sap en azijn geen rotte of beschimmelde vruchten.
Eten en gebruiken doe je op eigen risico: zie de gebruiksvoorwaarden.
Recepten
- Appelmoes (Compote · ± 1 liter · 30 min)
- Appelazijn van schillen en klokhuizen (Azijn · ± 1 liter · 15 min + 5–8 weken)
- Gedroogde appelringen (Gedroogd · ± 150 g · 20 min + 6–8 uur drogen)
- Appeltaart met kruimeldeeg (Gerecht · 1 taart van 24 cm (8 porties) · 45 min + 30 min rusten + 50 min bakken)
- Appelgelei van zure appels of sierappeltjes (Gelei · ± 4 potjes van 250 ml · 1 uur + 1 nacht uitlekken)
Goed voor dieren
- Bijen
- Nectar en stuifmeel voor honingbijen en wilde bijen.
- Vogels
- Bessen, zaden of insecten als voedsel, of een plek om te nestelen.
- Rupsen
- Waardplant: rupsen van vlinders of nachtvlinders eten van het blad.
- Hommels
- Nectar en stuifmeel voor hommels, ook uit diepe bloemen en vroeg in de lente.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Bijna alle appelrassen hebben een ander appel- of sierappelras in de buurt nodig voor de bestuiving.
- In België en Nederland bestaan honderden oude appelrassen; hoogstamboomgaarden bewaren ze voor de toekomst.
- Een appel blijft na de pluk ademen en geeft ethyleen af: daardoor rijpen bananen en kiwi’s ernaast sneller.
- Onze appel stamt vooral af van de wilde appel Malus sieversii uit het Tiensjangebergte in Centraal-Azië, waar nog altijd wilde appelbossen groeien.
- Zaai je een appelpit, dan krijg je nooit hetzelfde ras: elke pit is een nieuwe kruising. Daarom worden appelrassen al eeuwenlang door enten vermeerderd.